clear
{{language.name}} No language found.
swap_horiz
{{language.name}} No language found.
search
Warning: this website is for testing purposes. Everything you submit will be definitely lost.

Filter by language

megamanenm's sentences (total 3,239)

eng
Is that how it is?
nld
Dat is waarschijnlijk niet het geval.
eng
That's probably not the case.
eng
That could be.
eng
I'm willing to take the pay cut.
eng
When do you think he'll stop?
eng
The graph is misleading.
eng
Did he survive the fall?
eng
His face scrunched up.
nld
De wind huilt.
nld
Kijk links en rechts voordat je oversteekt.
nld
Ze hielp de oude man met het oversteken.
nld
Ze hielp een oude man oversteken.
nld
Wees voorzichtig wanneer je oversteekt.
nld
Nu kunnen jullie oversteken.
nld
Nu kan je oversteken.
nld
De twee wegen kruisen daar.
nld
Jullie staken de straat over.
nld
Je stak de straat over.
nld
Ik heb hem de straat zien oversteken.
eng
Did you check with your superiors?
eng
There's a storm brewing.
eng
How can you know that for sure?
nld
Wat vond je ervan?
nld
Ik werd niet ziek.
nld
Tom heeft een tijger gedood.
nld
Ik werd niet rijk.
nld
Tom is zeer bang.
nld
Ik kreeg geen geld.
nld
Tom is zeer bevooroordeeld.
nld
Ik was het niet oneens.
nld
Tom is een beetje dik.
nld
Ik heb dat zonder moeite kunnen doen.
nld
Ik heb dat zonder moeite gedaan.
nld
Dat heb ik gemakkelijk gedaan.
nld
Tom zwijgt.
nld
Tom is stil.
nld
Ik kan je niet verdragen.
nld
Ik kan je niet uitstaan.
nld
Tom is altijd ziek.
nld
Ik verdraag rap niet.
nld
Tom zegt dat Mary daar was.
nld
Tom is bijna doof.
nld
Ik kan niet goed koken.
nld
Tom is een sterke knul.
nld
Tom is een stoere jongen.
nld
Tom is een taaie jongen.
nld
Ik kan me nauwelijks bewegen.
nld
Tom is een wapenbezitter.
nld
Ik kan dat nu doen.
nld
Tom heeft veel boeken.
nld
Hoe laat waren jullie?
nld
Hoe laat was u?
nld
Hoe laat was je?
nld
Tom zegt dat Mary honger heeft.
nld
Tom heeft dat moeten doen.
nld
Heb jij dit getekend?
nld
Tom zegt dat Mary bang is.
nld
Tom werd heel boos.
nld
Tom werd zeer boos.
nld
Je ziet er slanker uit.
nld
Je ziet er dunner uit.
nld
Tom stond om 6:30 uur op.
nld
Je ziet er opgewonden uit.
nld
Tom viel overboord.
nld
Tom zeilt graag.
nld
Je ziet er nieuwsgierig uit.
nld
Is dit uw tas?
nld
Is dit jouw tas?
nld
Tom deed dat vaak.
nld
Tom en ik hebben het uitgemaakt.
nld
Tom en ik zijn uit elkaar gegaan.
nld
Heb je dat gekocht?
nld
Je werd misleid.
nld
Is Tom samen met Mary weggegaan?
nld
Tom en ik zijn klaar.
nld
Je ziet er teleurgesteld uit.
nld
Tom en ik hebben het druk.
nld
Ga je het kopen?
nld
Koop je het?
nld
Tom en ik zijn terug.
nld
Wie is de eigenaar?
nld
Tom zegt dat Mary fout zit.
nld
Tom zegt dat Mary zich vergist.
nld
Tom zegt dat Mary ongelijk heeft.
nld
Tom zegt dat Mary het mis heeft.
nld
Tom is nog een kind.
nld
Waar kan ik zitten?
nld
Waar mag ik zitten?
nld
Tom zegt dat Mary moe is.
nld
Tom zegt dat Mary blij is.
nld
We hebben een auto gekocht.
nld
Toms hond is schattig.
nld
Tom zal niet aanwezig zijn.
nld
Ze liggen te lezen.
nld
Ze zijn aan het lezen.
nld
Ze zitten te lezen.
nld
Tom heeft de prijs gewonnen.
nld
Het is indrukwekkend.
nld
Tom zal uitgeput zijn.